is toegevoegd aan uw favorieten.

De gelykenis der wyze en dwaaze maagden, uit Matth. XXV: 1-13. verklaard en toegepast.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over MATTH. XXV: 10, ïj7, 12. 199

dat ook noch willen aandringen met deeze, hem zoo eigene, woorden: voorwaar zeg. ik u. Hy hadt het hun meermaals laaten zeggen1 door anderen, en door zyne knechten. Hy hadt hen ook noch laatft gewaarfchouwd door het geroep van zvne boden: ziet de Bruidegom kom, geut uit bem te gernoet Vers 6. Maar zy hadden zxh ook noch hier op niet gereed gemaakt. JN-ö zegt hy het hun zelv naar de magt, me ham toekwam, en door de blyken van zyne werkdadige, tegenwoordigheid. Nu konde 't dan ook niet anders wezen, of hun gewiffe moeft zeer fcmciyk worden wakker gemaakt, ziende hunne,4mmT leid met fchaamte. En o hoe vreeslyk zal hun dan die donderltem in de ooren klinken, hun, die tevoorennoch fomtyds zoo voorbarig geweeft waren , dat zy wel eens de Wyzen fchec. nen vooruit te, loopen, als zy piotfehng die ge, réchtlyke, die onherroeplyke uitfpraak zullen moeten hooren: voorwaar zeg ik u, ik ken

v niet. . , ƒ--«

Dit zal doch wederom met zonder reden gefchieden. Want welk is de grond van de vrymoedigheid der dwaazen, om iets van den Heere te duiven hopen? Zy hebben nooit meer bezeten, dan eenen fchyn van godzaligheid Maar voor de zulken is geen plaats bereid. Zy hadden zich ook niet opgemaakt met de noodige bedachtzaamheid, maar muien het gene W volItrekt hadden moeten met zien brengen. Dit was derhalven eene rechtvaerdigeftraf van haare achteloosheid. En overzulks waren zy in geef ner'ei wyze gefchikt, om onder de bruiloftsgasten te worden toegelaten. Levendig voor, beeld in de andere, doch met de onze zeer overeenkomftige Parabelle men vindt Maak N 4 AAii: