Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

140 DE GODSPRAAK , EEN RYKE RENTENIER , EN ZYN ZOON.

Ziet elk, met dubble dartelheên, Hem weêr het oude pad betreên Dat hem zyn kwaaien fchonk: hoe zal hy 't zich beklaagen! Hy jaagt flechts voor een poos de weelde en wellust na. Ras dringt op nieuw de podagra Zyn ligchaam in, en doet hem, weeken, maanden , jaaren, Schier zonder tusfchenpoos, de zwaarfte pyn ervaaren. Hy houd zich echter aan de orakeltaal,

Hoe ook geprangd door kwaal op kwaal, En fpreekt geen doctor, die zyn pynen kon verzagten, Maar zwelgt kwakzalvery, en oude wyvenraad Roept hy van dag tot dag te baat, Die hem zyn kwaaien fteeds verergren, hem zyn krachten Beneemen. Hy, dus uitgemergeld, ftyf, en krom, Schoon nog geen veertig jaar, reeds aan den ouderdom Van zeventig gelyk, treed, als berooid van zinnen,

De godgewyde orakelzaal, Al murmureerend, thans ter tweedemaale binnen, En roept: ö Godheid! wen zal myn geluk beginnen! Ik heb my ftiptelyk gehouden aan uw taal;

Ik

Sluiten