Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der ÏI. SCHRIFTUUR. 127

van den openbaren Eerdienst des Allerhoogften, cn het in agt nemen van de uit* terlyke Plegtigheden, door de Wet voorgefchrevcn, en met verfcheidene meer lastige en bcuzclagtige waarnemingen, ft> dert, vermeerderd, leefden de meesten in ene fchandelyke verwaarlozing van het wezenlyk deel van den Godsdienst, de zedelyke Deugden namelyk. Zy waren vry

van Afgodery, 't is waar, dog de Menschlievendheid en Edelmoedigheid hadden zy geheel verbannen; zy haatten al de waereld buiten zig, en leefden in geftadige twisten, kncvelaryen, verwarringen en opftanden onder clkanderen. Ook waren hunne beste deugden veelal zo bekrompen, cn gingen van zulke lage en flordige byöogmerken vergezeld, 1 dat zy genoegzaam van allen lof en waarde ontbloot waren.

V. Hoe ftond het met hunnen Burgerlyke n ftaat en deszelfs Vryheden cn Voorregten, en hoedanigen invloed hadden deze uitterlyke omftandigheden op hunne Godsdienftige begrippen?

A. Daar zy, federt hunne wederkering uit Bahely zelden vry waren geweest van de Onderdrukkingen en Overheerfchingen van andere vreemde Volkeren, zagen zy zig tans, meer dan ooit, onder het juk der Romeinen gebragt; door wier Landvoogden, of Stedehouders, zy geregeerd en onderdrukt werden, terwyl hunne eigene Koningen naauwlyks iets meer dan den naam hadden overgehouden, en een af-

han-

in.

iFDETMNC. IX. LES.

Sluiten