Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 237 )

overdekken; en wroeging, het loon der ellendelingen, cttu gods liefderijke bedoeling beflrijden durven, zaU als een onuitbluschbaar vuur, in uwen wanfchapen boezen brandeni Maar gij, waardige natuurgenooten! gij die, met elk afgeloopen jaarfaizoen, in zedelijke volkomenheid zijt ge» voorderd; gij die, met elke bloeiende lente, in zachte verrukking ontvlamdet, en uwe verftandelijke vermogen* door nieuwen ijver deedt ontwikkelen! Gij die met eiken -vruchtbaaren zomer, door de reinfte dankbaarheid,-u.na.der aan god uwen Schepper verbondt; gij die, met eiken zegen vollen herfst, de wegen der Godheid vol bedaarden ernst befchouwdet, en zijne Voorzienigheid leerdet bewonderen; ja gij, die, met eiken winter, uw vertrouwen op de zorgende liefde des Almagtigen,: Wiens vaderlijk oog nooit fluimert, meer onwrikbaar leerdet vestigen ! Gij, waardige natuurgenooten 1 gij voldoet aan uwe beftemming; gij werkt mede tot bereiking van gods heilrijke bedoeling , de gelukzaligheid naamlijk van al het gefchapene. De weg, dien gij naar het toppunt van deze gelukzaligheid ijverig bewandelt, zal met eiken voetftap meer gebaand, meer fchoon , meer bloemrijk worden. Ook deze herfst, hoe beneveld, hoe treurig hij zijn moge, is voor u een nieuw bewijs van gods waakende voorzienigheid , die niet flechts de groote lichtende zonnen draagt, maar die ook de fluimerende graan, korreltjens in diepgeploegde voren bewaakt, die de kwijnende grashalmen drenkt, en aan de jonge rondzweevende vogelen , die voor het eerst de benevelde herfstlucht doorklieven, het voedfel in overvloed aanwijst.

Met welk eene blijmoedige dankbaarheid mogen wij aan den voorbijgefnelden zomer niet terug denken? Welk een fchat van zegen vloeide niet in onzen fchoot ? De fchoone lange dagen, die het oog des verrukten dichters, even als blinkende, als goudlokkige jongelingen, Gg3 *

Sluiten