is toegevoegd aan uw favorieten.

Reize naar de Oost-Indien en China in de jaaren 1774-1781.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerfte Afdeeling. 217

Dit leerftuk fchynt in Indië algemeen geweest te zyn, alwaar men flegts eene enkele godheid aanbadt , die de drie eigenfchappen van fcheppen, onderhouden, en verdelgen in zig vereénigde; maar in het vervolg van tyd maakten zy elke eigenfchap tot een perfoon, en kregen dus drie Goden , welker afzonderlyke vermogens op eene leenfpreukige wyze wierden uitgedrukt : dus wierdt Gods almagt betekend door het werk der fchepping, Gods Voorzienigheid door dat der onderhouding, en Gods regtveerdigheid door dat der verdelging (a).

Het gros der Indiaanen aanbidt flegts eene dier drie Godheden ; maar enige geleerden wenden hunne gebeden nog tot deeze drie in vereeniging; men vindt derzelver afbeelding in verfcheiden pagoden onder menschlyke gedaanten met drie hoofden, welke men op de kust Orixa Sari-Haraerama, op die van Coromandel Trimoürtt, en in de Samfcroutamfcbe taal Tetratreyam noemt. Daar zyn zelfs geheele tempels deeze foort vanDrieëenheid toegewyd, gelyk die van Perpenade op de kust van Coromandel in het Koningryk Travancourt,

al-

O) ïn den CIII. Psalm (*) welken de hedendaagse Jooden *s avonds als de Sabbath begint, opzeggen, wordt God aangeroepen als Schepper, als Behouder, en als Verdelger.

(*) CJV. Vert,

05