Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Negende Hoofdfluk. 3r

fchen bewoond wordt. De Maleijers, woest van natuur, houden veel van de opium; deeze drank maakt hen woedende; als zy eene zekere hoeveelheid van denzelven gedronken hebben, raaken zy buiten zig zei ven en geevenzig den dood over; het is eene foort van ziekte, welke men dolheid zou kunnen noemen. Zy loopen langs de ftraaten met eene krits in elke hand, en roepen Amok, dat in het Maleitsch te zeggen is ik dood alles: in deezen ftaat puilen hun de vuurige oogen uit het hoofd, het fchuim ftaat op hunnen mond,zy flaan met beiden armen en dooden alle, welke zy in hunnen weg ontmoeten. Ieder vlugt, men fluit zyne deuren, de Gouverneur zendt eene bende foldaten op hem af,die deezendolzinnigen te gemoet trekken; doch deeze, wel verre van terug tewyken, om eenen zeekeren dood te ontgaan, werpt zig op de bajonnetten tot dat hy den geest geeft. Deeze natuurlyke woestheid heeft geen invloed op de taal der Maleijers; zyfpreeken de vloeijendfte taal van de wereld.

Daar zyn goud-en zilvermynenbinnen in het land, maar zy zyn niet geopend. Men vindt Calin (a)

aan

O) De Heer Daubenton heeft enige ftukken van dit metaal, welke ik hem by myne wederkomst heb ter hand gefield, fcheikundig onderzogt; en hy heeft bevonden dat Calin gemeen tin was. Deeze mynen van het Schiereiland zyn zeer ryk, en men voert alle jaaren verfcheiden laadin-

gea

Sluiten