Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. B E D R U T. II. T O O N E E L. 27

Wij duchten, en met grond, den Geuzen iets te ontzeggen. De taal van vuur en zwaard valt moeilijk te weerleggen; Doch zo den Hertog ons hierna* ten hove daagt, Ons eenmaal rekenfchap der onderhand'ling vraagt; Opwien zal dan de fchuld, de ftraf toch nederdaalen ? Waar? danop'thoofddesRaads. Vergeef ons dan dit draalen. Welaan! Gij, die ons dwingt, u zal de keuze ftaan. Welk paar, uit deeze fchaar van Burgers , biedt zich aan , Om tot behoud der ftad in een gefprek te treeden Met van der Marck ? Zijn naam jaagt huivring door uw leden. Biedt nog geen paar zich aan. Hoe ? zwijgt gij, Burgerfchaar? Druipt gij lafhartig door? Is dan geen enkel paar Uit deezen gantfchen hoop zo kloek van moed te vinden ? Durft niemand uit deez' ftoet dien togt zich onderwinden? Wat dringt ge op ons dan aan. Toen riep ik luidkeels uit: Toeft, Burgers ! Burgers! toeft, 't Is tijd, dat gij beüuit. Of 'k moet den Brielfclien wal een deerlijk lot voorfpelle*. 'k Bied mij vrijwillig aan, de Burgers te verzeilen, Met wie de Watergeus zich ligt verdraagen wil. Nog houdt hij zich aan ftrand , nog houdt zijn heir zich (ril, Maar tergt gij hem verdwaasd door een befpottend zwijgen , Dan zal zijn woede en wraak hoe langs hoe hooger hijgen.

Toen

Sluiten