Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8 DE JONGE WALBURG,

kerel verloopt; verfh jc? je bent ook noch zo piep j mg om te trouwen, en hebt den tyd wel.

KAATJE.

Wel, ik denk 'er noch niet om, moei!

SAARTJE."

Dan doe je wel. Alle buweïyken zyn in den hemel befloten, en, wat je' deel is, zal je niet ontgaan. Maar och, de kinderen, de kinderen, die zouwen een' mensch tegenwoordig wel bang voor het trouwen maken! men ziet 'er hedendaags zo weinig goeds van.

KAATJE.

Wel,' moei, hoe kan je toch zo praten ! de kinderen, zyn die dan geen zegen van het huvvelyk?

SAARTJE.

Ik heb dat altoos zo hooren zeggen; ook zeide laatst noch onze brave domme, dat de vruchtbaarheid des fchoots, zo noemde het die geleerde man, ecne der aanzienelykfte belooningen was van Gods ouwe yolk. Het kan wezen, doch ik kan het, met myn domme verfiand niet begrypen, hoe, vooral in deuzen tyd, de kinderen het geluk van het huweIyk uitmaken ; maar wel het tegendeel, dat zy hunne ouwers bystcr veel verdriet aandoen. Bek\k me maar eens onze gebeeie ftad Amfterdam; ga van huis tot huis, by ryk en arm: overal klaagt men, overal zucht men, over de losbandigheid van de kinderen. Neen; zo ging het 'er niet toe in myn'

jon-

Sluiten