Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 31

THOMAS.

Zulks is ook myn voornemen. Het is nu ruim twee maanden, dat myne Julia aan eene hevige koorts kwynt: te teder van geitel om zo dikwerf herhaalde aanvallen te wederftaan, vrees ik, •dat zy, zonder noodige hulp, wel dra bezwyken zal. Zielverfcheurende gedachte! Ach, het vuur der koortfe, dat haar verteert, verteert ook, onöphoudelyk , myn hart! Ik zou my haar' moordenaar noemen, indien ik niet alles aanwendde, wat maar mogelyk is, voor haar behoud. In den armoedigen Haat, waarin wy thans zyn, kan ik, ongelukkige , helaas! niets tot hare beterfchap toebrengen. 'Hoor, vrindin, gy zyt noch de eenigfte, welke ik zo veel van myne lotgevallen mededeelde, wie ik zo veel vertrouwen fchonk: uw goed en mededoogend hart...

SAARTJE.

Och! al was ik ook je' eigen moeder, zo kon ik niet meerder met je begaan wezen. Heb je ook noch eene moeder?

THOMAS.

Ja. Haar verwyt ik myn ongeluk niet.

SAARTJE.

Die goeije vrouw moet het ook niet heel plaifierig hebben.

THOMAS.

Hoor dan. Ik zal myn best tot eene verzoening

aan-

Sluiten