Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EN GES N GELD IN DB ZAK. 2?

mev. v. d. stoor, drinkende. Wat fcheelt er aan Vaderlief?

van der StOÓP.

Dat vraagt gij nog? —

Op zijn horologie ziende.

'tls reeds half twaalf, —— en nog niet te huis! — Hij is mijn zoon niet; — hij kan mijn zoon niet zijn! —— o Dat vervloekte flangenzaad 't welk hem verleid ! zal dit het derde nagtje van vermaak zijn , zonder een oog op het toekomftigc te vestigen? —«maarwagt! —— wagt! Pc vierde zal u zuur opbreeken.

mev. v. d. sloop, drinkende.

Hij zal immers wel komen. Wel wat is dat nu ? Laat

hij zijn vermaak neemen, zo lang hij jong is. Als er kinders komen, dan zullen zijn harsfens zig wel fluiten. De jonkheid weet zig zo fchieüjk niet naar 'thiiuwlijk te ftbikken.

van der sloop.

Dat zijn er de vrugten van, wanneer men de kinderen al

te vroeg laat reizen! Ik heb het wel gezegd: maar

dat hielp niet: Mevrouw moest haar zin hebben. Lud-

wigje moest gaan reizen: moest de groote wacreld lecren kennen! — o Dwaas beiluit! —• Is Minna al te bed ? mev. v. d. sloop, met een /pottende glimlach.

o Neen! zij zit op haar kamer, — te bidden.

van der sloop. Ach! dat de hemel haar gebed verhoore ! — Braave jeugdige Vrouw! —. Daar zit die verlaatene en klaagt de opperfte goedheid haar lijden.

Da mev.

Sluiten