Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EN GEEN GELD IN DE ZAK. 3$

georg, }laapdronken opkomende. Wat, ■—— wat belieft u, ——

geeuwende en zig uitrekkende. Me —• Me - vrouw ? ——

mev. v. d. sloop.

Onbefchofte Rekel! — moet gij in mijne tegenwoordigheid den bek zo wijd open fperren? en gaapen gelijk een franschman voor zijn magere foep? — he?

georg.

Wie drommel zou niet flaaprig worden, als men daar een geheelen nagt met zulk een drooge keel moet zitten?

mev. v. d. sloop.

o Ho, mijn lieve Georg 1 gij hebt dorst! — Ik ook Georg ! ik ook. — Hoor! ga naar de kelder en haal wijn !—• kijk, — ik wil ook nog wel eens drinken, he? vcrflaje? —— Ik zal u geen dorst laaten lijden, vermits gij mijn Ludwigje zo wel oppast. — Haal ook een vlesch voor u, hoorjc ? —

georg.

Top, Mevrouw! gij fpreckt als een engel. — Drinken komt altoos te pas.

NEGENDE TONEEL.

mevrouw van der sloop, alleen.

fr~Cen goeden Jongen! waaragtig. — Hij praat zomtijds wel wat veel, •— maar, nooit klapt hij, 't geen hij niet weet. —— Bij mijn ziel ik krijg ook vaak. — Ik zal evenwel op mijn Ludwigje wagten. Zekerlijk drinkt hij op

mijn gezondheid, en, — ik zal het op de zijne ook doen.

Ea TIEN-

Sluiten