Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L T S P E L. 29

JO OST.

Hoor dan, uw Zuster heeft met Jonker voorgenomen, Om u deez' dag uw kind te ontvreemden.

LUBBERT.

Zyn't geen droomen?

JOOST.

Wel, neem het daar voor aan, indien 't u goeddunkt, Heer.

LUBBERT.

Meent hy myn Dochter zo te krygen? Wel ik zweer Dat ik 'er wel een fchot voor fchieten zal.

JOOST.

Zo even

Kwam Jonker my nog zelf de zaak te kennen geeven, Op hoop dat ik 'er hem in helpen zou; maar 'k wil My liever van de droes...

LUBBERT.

Joost, vloek niet, hou je ftil. Je bent een eerlyk borst en trouw, dat doe je blyken. 'k Zal zorgen dat zy met die buit niet heen gaan ftryken. Geen oogenblik verzuimd. Ik zal myn Dochter Weer Gaan haaien. Holla! hei! doe open, of ik zweer...

TWAALFDE T O O N E E L.

KLOENTJE, LUBBERT, JOOST*

WKLOENTJE. el wat geraes is dit? wel foei, Broêr, is dat kloppen! Wat is 'er?

LUBBERT.

Hoor, Mafeur, je zoekt me wat te foppen, Dat kan ik merken; en daarom zeg ik u aan, Dat deeze vlieger voor deez' tyd niet op zal gaan. Gymoet myn Dochter my voort weêr ter handen Hellen.

KLOENTJE.

Alweer ien gekke gril.

LUB-

Sluiten