Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HELDENSPEL. 39

Dat de eene Christen dus den andren durft beurijden! fa, de oorlog is een vloek voor ieder volk en land, Waar zijn vernielend vuur te ligtcr laaije brandt: Vooral als wreevle trots en fpoorloos goudbejaagcn Den naam van heldenmoed en krijgseer weg moetdraagen; Als 't ftroopen, 't plondren van onwcêrbre burgerij, Het fchandelijk bewijs van hcldendaaden zij. Zie daar de glorikroon daar Rodneij naar dorst ftreeven. Hoe veelen zijn hier niet uit hun bezit gedreven En fchaamtloos uitgefchud door 's knevelaars geweld!. Dan, waartoe dit tafreel zoo naar mij voorgefteld ? De Hemel, hoop ik,eens met al ons leed bewogen, Zal, ö Eufiatius! uw' luister weer verhoogen. Hoe zeer verlangt mijn ziel naar eene nieuwe maar' ï Wie nadert ons ?. .

NEGENDE T O O N E E L,

FREDERIK, FLORIS. FLORIS.

Mijnheer! veelligt dat wij 't gevaar Eerlang te boven zijn, fchoon ik 't niet kan begrijpen, Hoe zeer ik op dees zaak mijn zinnen ook moog' flijpen.

C 4 FRE-

Sluiten