Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. 23

■ 'k Vlugt om mijzelven, om mijn moeder, om mijn' koning, . Om u , om 't vaderland, dat reikhalst naar uw krooning.

ELIS1NDF.

6 Thefeus! zie uw' zoon! aanfchouw zijn' fleren moed. Hij is Athenes roem, mijne eer, uw edel bloed!... Omhels mij, Medon! ach! kon ik uw leed verzagten! Maar leer van mij, vol moeds, het weidend lot verachten. Vaarwel! vaarwel!... öGoön' behoedt mijn ovcrfchot! —

MEDON.

Vergun mij ééne bede, in mijn rampzalig lot: Breng mij, vóór mijn vertrek, toch ééns bij Philaïde. Duldt dat ik haar begroete en 't jongst vaarwel haar biede. Ik zal nog deezen dag haar en Athene ontvliên: (zien! Ach! doe mij haar voor'tlaatil', voor't laatfl'mijns leevens Laat mij het jongft' vaarwel van 'haare lippen hooren!

ELIS INDE.

Zal uwe zwakheid niet uw edel opzet dooren? Hebt gij wel krachts genoeg om't affcheid door te daan? Bedenk u wél, mijn zoon ! wat drijd wilt ge ondergaan? Slechts ééne omarming deedt ligt Philaïde fneeven: Z'j mint u: zoudt gij 't ooit uzelven wel vergeeven?.... Uw koomst is haar gemeld , en dat ge in 't leeven zijt. Ze is Godrus bruid, mijn zoon! verbeeld uhaaren drijd! Wilt gij — Wat hoorik ?.., Goón! zou 't Philaïde weezen ?

MEDON.

Ik kan voor 't grootft'gevaar in mijnen ramp niet vreezen. 6 Deugd! verderk mijn ziel met onverzetbren moed! Gedoog, ó vaderland! mijn' jongden liefdegloed !

B 4 Ver-

Sluiten