Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S DICHTGEDACHTEN.

Dat gij het loon der kunst ftecds in uzelven ziet?...

— Neen, 't Stoïcijnfche hart bezielt den Dichter niet! —

't Is waar, hij ziet vol moeds der. rpen zot verheven.

Zijn moed is waarc moed, en dus niet overdreeven.

Hij is 't, die zijne ziel, óók dan, bedaard, regeert,

Wanneer zijn kunst door goud noch aanzien wordt vereerd.

Doch,neem hem't éénig heil, dat hier zijn kunst mag erven;

't Is wonder, ziet men 't vuur van zijne kunst niet derven!

En wat is de cénige eer, die hier zijn' arbeid kroont?

Die, dat men zijn tafree! voor 't oog des volks vertoont.

U, backeb! is t bekend, hoe ik, zes zonnekringen, Wet geen onedel doel , naar d'eerlauwrier bleef dingen. Gij weet het; dit 's genoeg; en nooit zij 't algemeen

Befiisfer, of men mij behandelde naar reên!

't Blijve een geheim, of ik mijn teedrc kunst wou fpaarsn,

Dan of zij waar' bcllcmd voor 't oog der Amilelaaren!

Voor mij, ik heb geen hart, dat iemands daaden fchent, Maar elke wiendfebap gaarn', zoo veel het kan , erkent... Doch fchuwen wij ook hier den fchijn zelfs van te boonen.

Wat eer ziet zich mijn kunst, op 't onyerwacbtft',bètoonen!

Een

Sluiten