Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B R I E V E N. ?9

En duidlyk blyken toont van 's makers zinloosheden, Dit is me ondragelyk; dit diende niet geleden.

Wat zou toch de oorzaak zyn dat menig zulk een dwaas

Verwaand de rol aanvaart van opperfchryversbaas? Ik was onlangs zo ftout om zulk een' zot te vragen, Hoe hy in 't openbaar zich durfde als fchryver wagen? Hy fchudde grimmig 't hoofd, zag my verachtlyk aan, En zei: „De roem, de roem moet ons ter harten gaan!"

Zie daar de zucht tot roem de bron des dollen yvers Tot fchryven, in het hart eens wilden prullenfchryvers. En zou 't niet meest zo gaan? ö Ja! ik denk gewis Dat zotte zucht tot roem de bron der fchryfkoorts is, Wanneer geen hongersnood, die palen kent noch wetten, Een' armen beuling dwingt tot fchryven zich te zetten. Dus,als een domme gans, in menfchelyken fchyn, Eensklaps zich ftelt in 't hoofd beroemd te willen zyn, Straks raakt het menschlyk dier, om zich beroemd te maken, Op 't wit papieren veld erbarmelyk aan 't kwaken.

Uit eerzucht fchetfte Sloof, in een verminkt gedicht, Zuzanna, en naast haar het hcidensch minncwicht; Eén van de boeven vraagt aan Daniël: Wat deert je? En voegt hem fierlyk toe: Snotjongen, kwibus, heertje; Zuzanna zegt, met zwier: Haal zeep, en Jluit de poort. En 't gantfche ftuk beftaat in vaerzen van die foort.

C 2 Chn

Sluiten