is toegevoegd aan uw favorieten.

Voor Capellen tot den Pol.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPELLEN TOT DEN POL. ot

Ja, met wat onweêr ook capellen had te kampen,

Zijn heldenmoed dond pal, en brak des landmans juk. Toen dak elk akkerman met blijdlchap 't hoofd naar boven;

Hij vormt 's helds beeld in goud, en kust in 't hart zijn hand; Van toen aan dorst elk ftad zich 't grootsch herftel belooven

Haars rechts, van tijd tot tijd behendig aangerand. Maar, God! hoe duister zijn Uwe onnafpeurbre wegen!

Hoe ras deed Ge onze hoop, en 's landmans vreugd vergaan'. Eénsflags zien we onzen held,U vv gift,'s lands grootften zegen, . Den „ waren edelman," op 't krankbed nederflaan! De maagd der vrijheid, fier, maar tevens edel teder,

Ziet bij het krankbed reeds de wreede doodharpij; Zij riep tot U om hulp; en viel fchier zielloos neder,

Ziende aan 't geipan der dood den ijzren teugel vrij. Zij kermt haar weedom uit: all' wat dit kan verzagten,

Bij 't vallen van haar' deun, bij 't derven van haar' held, Is dat ze een'engel ziet, die, met zijn gouden fchachten ,

's Mans grooten geest omvat, en voert door 't ftarrenveld. ö God! dus barst zij uit, mijn deun, wie zou niet gruwen!

Geworpen in het dof! ö droefheid!... en 't verdriet,

Daar