Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 3

FRITS.

Zal het hoofdbreken niet waard weezen.

PAULINE.

Ha, ha, ha! hoor eens Lodewyk, wat duukt u?

LO D E \V YKi

Misfchien kan hy wel gelyk hebben.

VAU LINE.

Zie eens, hoe befcheiden. Gy moet weeten, brodr Frits, dat Lodewyk vaerzen voor my gemaakt heeft, zoo fclioon, zoo treffend

FRITS.

Ik heb geen kennis van vaerzen.

LODEWYK.

Pauline is zoo goed, om ze redelyk te vinden.

ROOSJEN.

Lodewyk zoude alle dagen fchoolmeester kunnen worden.

PAULINE.

De ambtfchryver maakt ook vaerzen, maar niemand kan 'er wys uit worden.

FRITS.

Luister! zy koomen.{Allen{laan eensklaps op en flaan als op den fprong.)

ROOSJEN.

Toch niet, 't was de knecht op zolder. (Zj gaan veder aan '/ werk.')

FRITS.

My dunkt, vader en moeder moeten heden zeer vergenoegd weezen.

A 2 PAB-

Sluiten