Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«» DE S P È E L Ë R.

Mevrouw van wallenveld. Waeg het riog ééns, de crediteuren zijn woedend.

Heer van wallenveld, (driftig.') Ik zal bij mijn oom gaen; doch, waarvan zullen wij lee* ven?

Mevrouw van wallenveld. Ik kan arbeiden, dus ben ik onbekommerd.

Heer van wallenveld. He niet. Mijne opvoeding was die van een rijk bedorven kind.

Mevrouw van wallenveld. , Gij hebt aenlcg , — zijt jong, — gij kunt nog veel meer doen dan gij denkt. Gij zijt vader, welk een aendrang vooreen velgeplaetst hart I

. Heer van wallenveld.

Groote God! hoe ben ik te moede, wanneer ik mij flechts. de mooglijkheid verbeelde, dat onfchuldig zielsgenoegen e» •ïrede nog onder ons woonen kunnen!

DERTIERDE T O O N E E L.

DE vooricen, karel. kar.fi l.

.Papa! Jacob heeft mij mijne aenfpraek nog eens overhoord; zo gij mij geheel wilt laeten uitfpreeken, kan ik ze thans , zonder één enkel foutje, volmaekt — mag ik ?

Heer van wallenveld, (drukt zijne vrouw aen zijn hart.)

Ja, lieve Karei l

KA-

Sluiten