Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïpo B Y B E L S C H E Te Hebron uitgeftrooid dat Jozef was vcrflonden, Want dat gy in het veld zyn' rok dus had gevonden. Ik weet hoe zich't bedrog in duizend bochten kromt, Hoe ftout het zich vermomt. Godvruchtige Israël, ik ben uw zorg ontftolen! Ik heb in 't veld gedwaald, doch ben niet verr' gaan dooien, 'kOntmoette een*man, diemy, aanminnig onbeleefd, Den weg geweezen heeft. Maar viel ik tyger, leeuw noch beer in klaauw en tanden, En zwolg geen boschwolf my in hongrige ingewanden, Men zocht nochtans op 't wreedst' te baaden in myn bloed, 't Welk God nog heeft verhoed. Een monster, dat uw kroost, myn broeders, herdersknaapen, In wolf, en beer, en leeuw, entygershad herfchaapen; De Nyd, dat monster, heeft my jammerlyk verdrukt, En van u afgerukt. Nu fmoort het naar gewelf des kerkers air myn klagten. Wat zal den weedom van myn treurig hart verzachten! Beklaagelyk gevolg van al te ftrenge deugd Der onervaaren jeugd! Onnozele oorzaak, van myn ongeval en lyden! Had ik zorgvuldig, om der broedren haat te myden,

Hun

Sluiten