Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26 DE VRINDENRAAD,

die de vrouwen onder bedwang hebben; maar al heeft de man noch zo veel fubordinatie, de vrouw manoeuvreert altoos verkeert: zy heeft altoos eenige commandoos afzonderlyk. 6 Ik weet het, ik weet het!

LINDENBERG, lagcliende.

Broeder Waldheim!

WALDHEIM.

Ja, lagch maar! 't ftaat je wel! Bataillon karré! zyt gy heer in uw huis ?

LINDENBERG.

. Dat je de duivel 1 dat zou ik je verzoeken.

WALDHEIM.

Ei, Wild! kyk, daar zit Adeler. Weet je wel waarom hy myn landrechter is? he? Broeder Lindenberg zou hem gaarne zelf hebben willen hebben, maar de genadige vrouw..! ó, Hoe is het meester fchap u op éénmaal ontvlugt, kameraad!

LINDENBERG.

Ja, zeker, Wild, want met hem wil ik niet fpreken; hierin doet een beleefd man zyne vrouw wel eenig plaifier.

WALDHEIM.

Leg op een' ander tyd weêr met een' kurasfier aan. Ik kon u duizend voorbeelden geven, waar de vrouw de broek aan heeft. Maar, het zou, by myne zondige ziel! ook hard voor de mannen zyn, dat gy een uitfluitend voorrecht boven hen zoud hebben.

Sluiten