Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevallige Landmeisje. ,235'

heid gezegd. Daar bood zich voor Laurette eene ryke party aan, haaren ftaat in aanmerkiDg genomen , en de Pastoor had Bazilius ontboden, om hem tot bewilliging daar van zoeken over te haaien.

Intusfchen was Laurette bezig in den wyngaard te werken, en dagt om den ongelukkigen Luzy. Deez' tedere minnaar nadert, en wordt haar van verre gewaar. In den beginne gaat hy zagtjea voort, hy ziet haar alleen, hy loopt, jaa hy vliegt genoegzaam, en reikt haar de armen toe. Op het gerisfel dat hy tusfchen de ranken maakt, ligt zy het hoofd op, keerc de oogen om; ö God.' roept zy uit!... De verbaasdheid en de vreugd, beneemen haar oogenblikkelyk het gebruik van haaren ftem. Al trillende viel zy in zyne armen, zonder hem nog te hebben kunnen noemen. Ach,' Luzy, zeide zy hem eindelyk; zyt gy het! -zie daar het gene ik aan den Hemel vroeg. Ik ben onfchuldig, hoop ik, in uwe oogen; en dat is genoeg, het overige zal ik lyden. Vaarwel, Luzy! vaarwel voor eeuwig! verwyder u van deze plaats; beklaag Laurette! zy verwyt u niets; gy zult haar waard zyn, tot haaren laatften leevensfnik toe. Ik! riep Luzy, haar tegen zyn hart drukkende, als of men hem haar op nieuws had willen ontrukken , ik ü verlaatén! ö wederhelft van my zeiven! ik leeven zonder u, van u verwyderd! Neen, daar is op den aardbodem geene magt, die my van u zal fcheiden! —— Daar is eene geheiligde magt voor my, antwoordde Laurette, en die beftaat in

de

Sluiten