Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GRAAFLYKE BEDEN &c.

nene landen , zal het voldoen kunnen deze Verdeeling kortlyk open te leggen. Verfchillende en met eikanderen ftrydende zyn de gevoelens der Geleerden over deze Verdeeling; fommige ftellen, dat de Koningen alles zich in eigendom verkregen, en dus onder 't eerfie ftamhuis der Frankifche Koningen alle de overheerde landen in attodiale of Domaniale goederen der Koningen verkeerden ; maar dat ze weder van hun aan anderen in benefi' cien [of, gelyk men naderhand fprak, in Leengoederen] vergund zyn geworden: uit deze meening dan leiden zy af, dat de Koningen van alle de onderdanen fchattingen vorderden; en dit gevoelen wordt voornamelyk van du bos beweerd (25), maar van montesquieu wederlegd. Andere in tegendeel ftellen, dat alles, wat door den oorlog verkregen werd, algemeen was, en dat het Volk daar uit eenige goederen den Koning toeeigende, of toebefchikte [als Domeinen], om daar uit zich zeiven en zyn huis , overeenkomftig zyne waardigheid, te onderhouden ; en dan ontkennen zy, dat de Koningen de macht zouden gehad hebben, over zulke aanwinften , zonder toeftemming van 't Volk, daarna te befchikken. 't Zy my vergund van beide deze gevoelens te verfchillen; want wat het eerfte betreft, 't is zeker, dat de Franken hunne allodiale en dominiale goederen vry van alle cyns of fchatting (want deze beiden worden dikwils verward) bezaten, en men ftelt gemeenlyk, dat ze van dien vrydom den naam van franken droegen; maar bovendien is 't ook zeker, dat de Cynsgel-

den

(25) Hifloire Critique de la Conflitution de la Mtnar* cbie Franc. T. I. pag. 51.

B

Sluiten