Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 153 >

van Jefus Kristus; wy moeten overtuigd wor-' den, dat Hy, zoo wel als zyne Apostels, het gezag der rede in den Godsdienst erkende: gelyk Hy nimmer leerde, dat onze rede bedorven is, zoo predikte Hy ook nimmer aan Zyne Toehoorderen de noodzaaklykheid, om zig tegen de uitfpraken van dezelve te verzetten : Hy boezemde hun niet het minfte wantrouwen in omtrend het gezond verftand; in tegendeel, Hy wilde ftecds, dat men zyne rede zoude begruiken, en onderzoeken, of zyne leer uit God ware, dan of Hy van zig zclven fprake; zelfs de verhevenfte waarheden van den Godsdienst, welken Hy onderwees, onderwierp Hy aan den toetsfteen der rede, b. v. dat Hy Gods Zoon, de langbcloofde Megfias was: „ Indien ik (zegt Hy) niet doe de werken myn's Vaders, zoo gelooft my niet; maar , indien ik ze doe, en zo gy my niet gelooft, zoo gelooft dc werken" Joan. X. „ De werken, die ik doe, getuigen van my, dat de Vader my gezonden heeft" Joan. V. En onderftellende, dat hun verftand natuurlyk niet bedorven was, wilde Hy hen zeiven doen redeneeren, en uit bekende waarheden anderen befiuiten: Hy wees hen naar de fchriften van Mofes en de Profeeten, — gelastte K 5 fcgn ,

Sluiten