Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( )

de gegeven regelen op het Wezen aller wezens toetepaslen , redeneer ik, in dezer voe-

• Stel, dat ik alleen den naam van God

hoor, dan kan ik zeker, uit dezen voor my onbekenden naam, van voren niet weten, of iets daar in mooglyk of onmooglyk zy. Maar zeg my nu, dat zoodanig iets, 't welk dien naam draagt, daadlyk beftaat. Ik zal voor het minsten toeftemmen, dat dit zyn kan; zeg my, vervolgens, dat dit wezen oneindig is; nu heb ik, tot nog toe Hechts, een ontkennend denkbeeld , (of liever eene ontkennende bevatting) ze<y my nu, dat dit wezen meer of minder worden kan; wat zal ik zeggen? zal ik niet, uit een ontkennend denkbeeld, zeer klaar bemerken, dat dit onmooglyk is ? Maar geef my nu nog eenig ftellig denkbeeld; zeg my b. v. dat dit wezen allervolftrekst eenvouwig—, dat het volmaakt één is; enzegmy dan vervolgens, dat in dit wezen onderfcheidingen plaats hebben, welken in deszelfs natuur gegrond zyn; dat het vatbaar is voor zamenftelling met zyn eigen voortbrengfel, of met iets, vlak tegen zyne natuur overgeftcld. Wat moet ik dan denken? Wat zal ik, zo ik eenig denkbeeld van volftrekte eenvoudigheid of eenheid heb, uit vergelyking' van deze ftellige denkbeelden, met

de

Sluiten