Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32<j c o r ne l ia wildschut; of,

tóen, en niet toelaaten zal, dat ik mij derwijze onteere, dat ik mij bedroeven of kwellen zoude , over het verlies van iet het welk volkomen ongefchikf is, om mij eenige genoegens te kunnen geeven.

Ik heb keetje wildschut bemind, met al de hefde van een eerlijk man, en met al de drift eens jongelings die uit de bezitting eencr fchoone vrouwe zijn hoogst tijdlijk geluk verwacht: maar nu ik duidelijk zie dat zij gebreken heeft, welke alle huislijke genoegens .moeten ver* woesten .... wat behoeft ik meer te zeggen? gij, Mevrouw! zult mij, dit alles weetende, zeker met befchuldigen, van eene laage hebzucht die mij, nu de Heer wildschut ongelukkig is, doet verdwijnen? neen, Mevrouw! deeze ondeugd be*

hoort niet onder mijne gebreken , ik heb zelfs

den Heer wildschut alle hulp, allen dienst, en zo veel gelds als ik met voorzichtigheid mislen konde, (om eeJat voortekomen, ware zulks no*

mogelijk,) aangeboden ■ de flag is .gewéldig*

doch misfehieu zal nog alles betaald kunnen worden, en de Heer wildschut, onderftcund door braave, rijke kooplieden, zijn verlies kunnen

vergoeden het zoude mij in 't geheel niet

betaamen mij intelaaten met de huislijke zaaken van dien Heer; heel de wereld weet dat hij rijk was en veel gelds won: de verteeringen mogten dan nog al eens hoog loopen, zonder nadeel toeïebrengen aan het credit: evenwel, indien de

Sluiten