Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORREDE. xxix

nen zelf reeds de Uitzonderingen opgefloten. Want zoodra Moonen zegt: de grootfte Jlroomen, en 'er bijvoegt, dat die ten meeften dsele M. zijn ; zoo zondert hij ftilzwijgend uit vele kleener ftroomen, en ook eenigen der 'grootften en ve'rmaardften. Maar als 'er in de woorden zelf geen onderfcheidend kenmerk is, 't zij in hunnen eigen' aard, 't zij in eenige toevalligheid, of eenigen vasten uitgang; zoo kunnen zij geen' algemeenen Regel uitleveren, of hij is, naar onze tegenwoordige geringe kundigheid in'toud verband der tale,aan even zoo vele Uitzonderingen onderhevig. Ja mogelijk zijn er meer Stroomen in 't N-Duitfch Vr. dan M. En ziedaar dan, hoe noodzakelijk ook hier weder is eene zoodanige Geflachtlijst, om uit zijne onzekerheid gered te worden. Volgenwe deze Leidftar, en zien wij, of er mogelijkheid zij, om hier met Moonen eenen doorgaanden en zekeren Regel op de namen van Stroomen en Rivieren aantetreffen.

Volgens de Geflachtlijst blijkt mij, l\ dat de Namen van Stroomen zich meesttijds fchikken of naar het oorfpronklijk Geflacht van 't Latijn, of naar den aard des Uitgangs.

Het oorfpronklijk Geflacht van 't Latijn flraalt vooral door in die woorden, die of geheel Latijn blijven; zoodanigen vinde ik in de Lijst:

M. den Acheron. M, den Eurotas.

Alfeus. — Ganges.

_ Anio. — Hebrus.

_ Arnus. — Mincius.

Athefis. — Mus.

M.

Sluiten