Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xxxvi VOORREDE.

S- 39-

Dc 2de foort zijn zulken, die onbezielde zaken aanwijzende , zonder aanzien van uitgang, alleen uit kracht hunner inwendige en verfchillende beteekenis, verfchiliend geflacht aannemen. In dien zin zijn O. de woorden, die aan de eene zijde eene algemeenheid, eene erts, ftoffe, offtoffaadje aanduiden ; maar ook fomtijds, voor 't bewrochte of voordgebrachte uit die erts , of ftoffe , gebruikt worden ; en in dien zin zijn ze M. Zoo zegt men M&n de ftoffe, erts, enz.

O. het Diamant. o O. het Saffier.

, Robijn. Neteldoek.

Doch even zoo zegt men van de bewrochte ftoffe, of het daaruit vervaardigde,

M. den Diamant. M. den Doek.

Robijn. Droogdoek,

Saffier. Agaat.

Doch over dezen heb ik wijdloopig gehandeld op '8 woord doek. Zie ook op diamant. Vergel. ten

kate D. I. bl. 403.

s. 40.

De 3de foort is van een nog teederer en fijner on» derfcheiding. En 't is der moeite waardig, die optegeven. De Heer ten kate D. I. bl. 404. geefs hieromtrent de fchoonfte opheldering. Hij onderfcheidt namelijk de Woorden , die , op de zachte E oorfpronglijk uitgaande, en afgeleid van de Praeter.imperfeiï.fubjuntt. beteekenen eene voordgebrachte, bewrochte of gedane zaak , en die daarom Vr. zijn. Terwijl even die zelfde woorden bij hem oorfpronklijk

Sluiten