Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRE. P"R I. 4"

[PRENT, V. Zie PRINT.]

PRIEEL, O. Dat prieel des aarthoodems, Hoofc ïn de Ned. Hift. bl. 259- In een genoegelijk prieel, Vond. in Horatius I. B. bl. 5.

[PRIEM , M. Het haer met gloenden priem en ijzer omgekrolt, Vond. Virg. En. XII. B. Die den broêr met zijnen moortpriem griefde , Vond. David in Ballingfchap. Dit moordpriem was op zich zelve oudtijds priem; 't beteekende een lans, fpies ; 't welk men pfriem fchreef; buiten twijfel het zelfde, als ons Tacitus befchrijft, van de Zeden der Germanen, waar hij 'tframea noemt.]

PRIESTERDOM, O. Zijnen zoon aan 't Priefier dom helpen, Hooft in Tacitus I. B. Met al het Prieflerdom, Vond. voor Salomon. Het eerfte betekent het ampt, het lefte de perfonen die 't bekleeden.

PRIESTERSCHAP, O. Door 't injlellen van 't Priejlerfchap, Hooft in Tacitus t B. Zoo zegt Vondel het Chriflenfchap, in de Maegdebrieven bl. 3. Men gebruikt ook de Prieflerfchap van het lichaem der Prielteren , gelijk de Vroedfchap , de Kidderfchap enz. (*)

Lm PK1Ji

(*) Ik zal de woorden van dezen uitgang, hier ter plaatfe, een weinig naaukeuriger befchouwen , en de gefteltheid van hun Geflacht, dat tot op dezen oogenblik in de uiterfte verwarring ligt, trachten op te helderen. Hiertoe zal ik eerst van den uitgang fchap fpreken, en deszelfs verfcheideie beteekeniffen, en vervolgends uit krachte dier beteekeniflen, het verfchillende geflacht naaukeurig overwegen, en ten befluite het woord Heerfchap afzonderlijk befchouwen.

Wat den uitgang fchap betreft; deze is van zeerhooge afkomst. Hij is volgens den Hr. Verwer in zijne Idea Lmg. Batav. Hoofdd. Vil. ontleend van den Noordfchen taaltak. Van deszelfs kracht fpreekt Wachter in Gloflar. bl. 38. duister; klaarder L. Ten Kate II. D. bl. 85. die denzelven zegt te verwonen , „ den aert en gefchapenheit der dingen , als in een „ vergadert lichaem , vervat in het Angelfaxifch fcyp, fcype. „ (prcefe&ura, munus, negttimi en Mgmtas) dat zijn wortel

Sluiten