Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P R IJ. 4iJ

217. Zijnde Trij een doodlijk of ftinkend kreng, ., als Kiliaan het vertaalt. Bij Decker zegt de

„ Geld-

migen, al beteekenen zij een ganfch lichaam , toch Vr. blijven, als Vroedfchap." Dit blijkt ook in de vermaagfchapto talen , vooral ten aanzien der verfcheiden buiging van dit fchap , waarvan zie L. ten Kate II. D. bl. 8$. en I. D. bl. 437. en 460. op de woorden Landfchap, Vriendschap. En gelijk onder de woorden, die uit hoofde eener zachte achtergevoegde E. oulings Vr. waren , betrokken moeten worden allen , die oulings volgens A. Verwer in dome en hede uitgingen, doch thans dom en heid hebben; van welken het laatfte geen verandering van geflacht heeft ondergaan ; zoo komt het zelfde recht toe aan dit ons fchepe; zoodat men met Ve\wer billijk mag veronderftellen, dat oudtijds dit foort van woorden enkel het Vr. geflacht gehad hebben. En vanhier de reden, dat men vele woorden oulings Vroulijk aantreft, die thans gemeenlijk Onz. zijn, maar echter in fommige gedeelten van ons Vaderland nog dat Vroul. behouden. Het gebruik dan, bij wien

Veelal het fcheidsrecht, wet, en regel is van fpreken,

heeft even als in de oulings Vr. woorden, ooge, oore, antwoorde , oorloge , den uitgang fchepe in fchep fchap , verandert; en daardoor het Onz. in velen ingevoerd; in zooverre, dat men in de oudfte Schriften reeds voetftappen van 't Onz. vindt; echter zoo, dat het Vr. geheel aan anderen is bijgebleven, niettegenftaande de afwerping der zachte e, en de daardoor veroorzaakte meerdere overhelling naar het Onz. Doch dit gebruik, wel verre van misbruik te zijn, fchijnt regelmatig voordgegaan te zyn , en heeft der Tale een groot voordeel gedaan; zoodat men thans al vrij regelmatig het onderfcheiden geflacht uit de beteekenis, of de beteekenis uit het onderfcheiden Geflacht, mits wel gebruikt, kan leeren kennen ; en men dus bij voorb. omtrent de Priefterfchip Vr. kan weten , dac dit van het lichaam der Priefteren , doch het Priefterfchap van hunne bediening verftaan worde ; en omgekeerd , dat men fprekende van het lichaam der Priefteren de Priefterfchap , doch van hunne bediening het Priejlerjchip zeggen moete.

Uit kracht van dezen uitgang fchap kan men dan ligtlijk een tweederlei foort van Woorden en Geflacht vooronderftellen. Maar daar is nog eene nadere verdeeling, die aanmerking verdient, namelijk die der zamenflelling uit Bijvoeglijken, of uit Zelfjlandigen. Door

Sluiten