Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L T S P E L. 23

Ik zegepraalde altoos, en was altoos bemind: Dus leefde ik in vermaak; maar nu, myn lieve kind! Sints wy gefcheiden zyn, kan niets my bezig houên: 'kGeefnietsmeeromdenwyn,om'tfpel,nochomdevrou-

Mer my is 't alzo erg. Gy weet ik bad het zwak Dat ik zeer gaarne kwaad van myne naasten Iprakj AUoos nieuwsgierig, en fomwylen onbefcheiden Drong ik in elks geheim, opdat ik 't kon verfden, Oo hoop van gunstbewys, hoe fchuld.oos ook enkleen, Haalde ik een gantfche fchaare aanbidders om my heen: lk wist behendig hen te vleijen en te kwellen Door ieder kleinigheid van pas in 't werk te ftellen. Maar oordeel eens, Dumont! wat al verandering Ik in uw afzyn, door verveling, onderging: Ik ben toegevende, ik weet niet meer kwaad tefpreken, Bedil de Hen niet meer, en zwyg van hun gebreken; •k Ben zo befcheiden, dat ik, zonder moe.te of zorg, 7ou zien dat my een vrind een groot geheim verborg; I„ één woord,myn gelaat, dat elk die voor my blaakte Het hoofd op hol bragt, en verward van zinnen maak e, is thans zo ernuig, dat men t niet meer •« zelfde vindt.

DUMONT.

. Wy moeten beiden ons verbeteren, myn kind!

ROSETTE.

Het middel is zeer ligt.

DUMONT.

Gy moet me uw hulp verlenen, B4 D"

Sluiten