Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 21 )

Ik zag hem — o Louife het denkbeeld van dat oogenblik vermeerderd myne fmart, — ik zag hem — maar minde hem ook. De ftryd van myn hart om den Baron tegen de plicht om den Graaf te beminnen was in myn hart verfchriklyk fterk. — Hoe dikwyls zeide ik, neen, liefde moet by plicht vergeleeken, achter ftaan — maar ieder opflag van zyn oog verydelde myn goed voorne-emen weer, — Ik zag zoo duidlyk Louife, dat even hetzelfde gevoel in zyne ziele omging. — Op eenen avond vond ik hem buitengewoon droefgeestig. — Hy deed zyn best om zulks te verbergen — Gedurende het gefprek antwoordde hy op alles recht verkeerd — Ik zei hem, goede Albert, hoe zoo myn vriend, en waarom? Hy wierp zich aan myne voeten met eene drift die my verfrhrikte, zei by my. Sopbie ik bemin u, maar bezitten kan ik u niet. — Zeggen evenwel moest ik het u, gy zult my mooglyk beklagen en dat is troost genoeg voor my. — Om hem te antwoorden had ik geen kracht genoeg; maar ieder ademhaling, ieder polsftag zei my — Gy mint Albert al te fterk. _ Hy zag het wel, maar zyne befcheidenheid zeide hem, Gy moet het niet zien. — Leef — voor eeuwig wel Sophie, riep .hy my toe en zoo vloog hy de kamer uit.

louise.

En zeedert hebt Ge hem niet gezien ? "

•ö 3 soprijt,

Sluiten