Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 37 )

gy met haar in Maltha waart, fpraaken haar oogen eerder tegen my, dan haar mond, en toen raakten wy in kennis. V. D. AAK.

Maar waarom hebjehaar misleid, met te zeggen dat gy ongetrouwd waart? dit is een bedrog , en zoo je in Holland waart, zou ik het wel weeten. — Hoor je bent de fchaaker van myn meisje, en hier eisch ik voldoening voor. A.

Dar ik my voor ongetrouwd uitgegeeven heb is waar, maar zy heeft zoo veel fchuld als ik ; want zy wcu m|aj; uit huis zyn, en je weet, wy Amfterdammers zyn wel voor die grappen.

V. D. SITTEN. Noemt gy dat een grap mynheer ? 'tisby my een misdaad, en haar dan nog te verzoeken haar Vader te befteelen. A.

Hier heb ik haar niet toe verzogt; ik zei alleen, dat ik weinig by my had, en zy zyde, dat zy 'er voor gezorgd had, dat wy geen gebrek zouden hebben.

V. D. AAK. Nog eens, jy bent een verdoemde fchurk, en waar is dat geld? 't gaat, hoe 't gaat ik wil fatisfactie hebben. A.

Vraag dat uw dogter; zy had my twintig ducaaten

gegeeven, en die heeft zy my, in prefentie van eenige Heeren, in een publiek Logement, afgeëischt; zelfs de gespen van myn fchoenen. — Ja zy heeft my zelfs geflagen , en uitgefeholden; en hier zou ik ook fatisfactie van kunnen eisfehen.

V. D. AAK.

Myn meid heeft wel gedaan.. — Hier, geef my die fchanslooper ook, die behoort my.

A.

Daar is ze; — zy heeft ze my gegeeven. — Met dit C 3 al'

Sluiten