Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HERDERSPEL. 29

En Heelt myn rust. — Wat ftout beftaan!

PHILIS.

'k Was bezig met uw hond te fpeelen ,

U heb ik waartyk niet misdaan. Miar 't Haat voor 't puik der herdersknapen,

Voor zulk een vryer als Dameet, Niet mooi, dat hy, met loddrig flapen,

Het fchoonfle van den dag hefteed.

Maar zeg, als gy, naar uw verlangen,

My kusfchen moogt, wat gy my gunt?

DAMETAS.

Neen , meisje! gy moet niet ontvangen,

Wyl gy zo lief betalen kunt. Hoor, alle gekheid op een (lokje,

Gy haakte naar verboden vrugt; Ik k.enje, vryster, aan je rokje.

Gy zyt gevangen in uw vlugt. Ik waakte wel toen cy my kuschte ,

Zo dat ik al uw handel weet: En, op dat niets ons meer ontruste;

Zeg nu: ik fchuw of min Dameet; Maar dat het laatftc van uw lippen

Myn uitgerekt verlangen blusch'; Laat maar een teder; ,, 'k mm u" glippen ,

Bezegelt door een gulle kusch. Laat myue Helde zegenpralen:

En

Sluiten