Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TÖONÈELSPEL.

Gelukkig als mijn hand uw' laatften wil voldoet.

De oogen ftijf ten hemel vestigende. Dan zal geen jaloezij mijn trouwe min belpieden. En niemand mij 't geluk van u te zien verbieden*

Hy valt haar te voet. Maar 'k bid u dat gij mij eerst zegt waar uit het fpruit,

Dat gij mijnftraf neen! ... tot mijn zaligheidbefluit.

CHARLOTTE, hem opheffende. Niets, niets; ik ben voldaan van uwe tederheden.

AL ARD US*

Werkt dan de fchoonheiduit geen roerfels van de reden? Is 't loutre willekeur, die 't diepst verftand beltierd ? Neen, neen, rechtvaerdigheid wordt in uw hart gevierd ; Of durfd gij 't mooglijk niet aan mij te kenuen geeven, Bevreesd dat mijne hand word' tot de wraak gedreeven?

ó Mijn Charlotte! zoo ik fnood, of onbedacht, Uw edel hart misdeed, zoo gij mij fchuldig acht, Spaar mij dan niet, ó neen! gebruik dan uw vermogen, Verban Alardus dan voor eeuwig uit uwe oogen. 'k Zal 't vonnis zeegnen * maar tot dubbling van mijn ftraf, Blijft mij de wroeging bij .... tot in het duister graf. Dan zal ik leeven, tot de Hemel van mijn dagen Befchikt, wat wroegworm ook mag aan mijn hartaêrktugen. Spreek, mijn Charlotte! of moet ik met een dieren eed.....

CHARLOTTE.

Geloof me, Alardus! dat gij nimmer mij misdeed; Dat ik met al mijn ziel uw hartzeer wensch te fluiten;

B Ea

Sluiten