Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALARDUS.

TWEEDE BEDRYF. EERSTE TOONEEL.

Verbeeldende de Kamer van Alardus; aan */ achtereind, is een fchoorjleen, en tweeglasraamcn , waar voor gordijnen hangen; aan de rechter zijde flaal een ledikant; aan de Imker een tafel, waarop eenige boeken, teekeningen , en papieren verward door één liggen.

ALARDUS, in een japon, de borst bloot, het hairlos en verward, zonder hoed, zit fchrijvende , maar ligt de pen neer, en ziet, op/laan. de, door het glas-gordijn.

Breekt noch de dagniet aan ? — ó Ja,'t word eindelijk licht. Maar ach! mijn naarheid duurt, fchoon 's nanaehts naarheid zwicht.

Al fluit de morgenzon de gouden oostpoort open, Voor mij, ellendig mensch! is nimmer troost te hoopen. Mijn zon ging gistren fchuil; — ó Akelige nacht! Ik heb uw duisternis gelukkig doorgebragt. ó Reden! gij alleen wist mij nog te onderfchraagen, 'k Had zonder u den loop voleindigd van mijn dagen. Charlotte! Liefïle! zoude ik u nooit wederzien?

Nooit

Sluiten