Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. m

ZOÉ,

Bemint hy my niet meer, wat word'er dan van my! Haat my een ieder clan!

Tegen André.

Myn goede André, zo gy Wat rusten wik, gaa heen. Men zal voorzekertoonen Dat men uw moeite aan u ook ryklyk wil beloonen.

ANDRÉ, vrolyk. Kyk, hoe vermoeid ik beu , 'k zou toch op ftaande voet, Zo gy my noodig had, weêr met den zelfden fpoed Vertrekken, waar gy wilt.

Op Clarine wyzcnde.

Laat zelfs de Juffrouw fpreeken ,

Hoe ik befta.

Tegen Clarine. Zeg, blyf ik immer in gebreken Van 't geen ik op my neem?... En dat ik ook verricht,' Is niet uit zelfbelang. Kyk, men behoeft myn' pligt, Om iemant dienst te doen, voor loon niet af te koopen. Voor braave liên, als gy, Mejuffrouw, zou ikloopen, Al was *t naar Rome toe... Met uw welneemen, ga 'k Een uiltje knappen: maar hebt gy my noodig, dra Ben ik weêr to t u w'diens v, gy moet in 't minst niet vreezen, Roep maar: André! André! uw dienaar zal hier weezen,

ZEVENDE T O O N E E L.

ZOÉ, CLARINE, ZOÉ.

Die jongen, dunkt mv, is welmeenend en oprecht. CLARINE.

Hy's fterk aan my verknocht, en ook, als gy wel zegt, Oprecht in al zyn doen; ook altoos wel te vreden. Hy fchikt, hoe 't hem moog'gaan, zich naar de omflandig» heden,

B 3 Want

Sluiten