Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29

d' Ondeugd zal ik immer vlieden,1 Zij, die ftreng, maar toch oprecht^

Mij, mijn' pligt voor oogen ftellen, Worden nooit mijn gunst ontzegt.

Met een ftreelend, zagt genoegen, Dien ik God, mijn heil mijn' lust;

Door geen kommerlijke zorgen, Wordt mijn vrolijk hart ontrust.

Immers met een goed gewisfen;

Leeft men altoos wel te vree? Want alle aardfche levensltanden,

Brengen vergenoeging meê.

Ongetloorde rust en vreugde, Is het al waar ik naar haak;

Daar 'k intusfchen, 't blij genoegen; in mijn bezigheden, fmaak.

Zou 'k dan God niet dankbaar eeren;

Voor deze aardfche zaligheid? Zou 'k niet hopen: na dit leven,

ls mij beter lot bereid? —■

Sluiten