Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»* V £ R T O O G E N

V.

Wat waar'c, offchoon ons God 't volop der aard verleende, Offchoon zich de overvloed met fchittrende eer vereende, Offchoon ons niets ontbrak, waar naar ons 't harte tracht, En alles ware ons Hechts voor vreemden toegebracht ? Dit (zeker) ware een naar, een fchrikbaar goedbezitten! Voor andren waar't genot, ons, de arbeid en 't verhitten! Ons hart verzet zich-zelf op 't denkbeeld van dien ftaat, En rekent de armoê zoet bij zulk een gruwzaam kwaad. Maar, ftervling, wees bij 't goed met talrijk kroost gezegend, Leef jaren zonder tal, van voorfpoeds gunst bejegend, En laat uw ziel zich niet verzaden van 't genot: Wat hebtge? een handvol zand, en anders niet van 't lot! Wat zijt ge meer dan die, die zonder nakroost ftierven ? Wat zaliger, dan die, die nooit het licht verwierven? Ach, de ijdle misdracht, die in duiflernis vergaat, Geheugenis, noch naam, noch denkbeeld, achterlaat, Die nacht noch daglicht kende, en onrust noch genoegen, Is zaliger dan gij in uw onvruchtbaar zwoegen. Leef, arbeid, zucht, en fchraap; vergader, zorg, en fpaar, ó Stervling! 't eigen niet verwacht en u en haar.

Ach, al ons wroeten is voor mond en ingewanden, Die yordren altijd meer van de onyermoeidfte handen;

Dan,

Sluiten