Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C*9)

derom, dat hy, door dat zelve foort van beweegreedenen, tot zyne daaden moest aangezet worden, waar door wy menfchen ten goede worden bewoogen; daar de voorgeftelde vreugde hem teegen het lyden des doods konde harden (*). Staande intusfchen, voor zulk een foort en maate van verzoeking, bloot, als een volmaakt mensch, hier op aarde, zoude kunnen ondervinden, zonder zeedelyk befmet te zyn of te worden. Want wy hebben geenen Hoogenpriester, die niet kan meedelyden hebben met onze zwakheeden , maar die in alle dingen, gelyk als wy, is verzogt geweest, doch zonder zonde (f). — Daar zyn geest Zich , natuurlek, binnen de grenfen der menfchelyke reede moest houden, hadde hy daarom ook noodig, dat de inwoonende Godheid hem geduurig verlichtte , onderfteunde, en erinnerde, wat hy by den Vader gezien en gehoord hadde. Van daalde gebeden, die hy dagelyks in zyne omwandeling op Aarde uitftortte Zonder dat deeze Godlyke werking zynen geest voorlichtte, bleef hy, van fommige dingen, gelyk by voorbeeld van den tyd des oordeels, onkundig (§). Als ook de

vertroostende onderiteuningen der Godheid ophielden, wierd het duister in zyne ziele, gelyk tweemaal, voor zo verre wy weeten, in zyn lyden, eens in Gethfemané en eens op Golgotha, gebeurde. ——, Ondertus-

fchen

(*) Hebt: XII: 2. (t) — IV: 15. (§) Mare. XIII: 32.

Sluiten