Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEGEPRAALENDE DEUGD. 25

'k Word reeds te veel verdrukt doorbitt'tetegenheên!... 'k Ben arm, maar ik zal de dierb're Deugd beminnen.

de Graaf, haar een beurs tonnende. Is dit gefchenk in ftaat uw koelheid te overwinnen? Staat myn begeertens toe? ik ben door u bekoord, Zie daar het is voor u, gun my een gunftig woord? Ik laat het hier niet by, gy zult nog meer erlangen. Lydia.

Weg met die vuile gift, nooit zal ik die ontfangen, Doet and're die prezent.

de Graaf; ter zyde. 6 Vreugd! Lydia.

Ach! wreed verdriet J de Graaf. Verftoot gy dus dat geen een Edelman u bied ? Gaat met my naar myn huis ? ik zal u wel trakteeren. Lydia.

Vergeeft het my Myn Heer !'k ga nimmermeer byHeeren.

de Graaf. Maar zo gy eerlyk zyt wat doet gy hier omtrend, Deez' plaats,.. de tyd,.. uw kleed,..

Lydia.

Ach! was ik u bekend! Gy trachtte niet Myn Heer! uw lust met my te boeten, Doch zo de Deugd uw leid ik werp my aan uw voeten, Verlaat my? vergd myn Ziel niet meer tot deezen daad? 'K ben arm: doch min de Deugd, geen fchatten zyn in ftaat..

de Graaf, haar in de reden vallende. Staat op Deugdzaame Ziel!

Lydia.

My tot het kwaad te leiden, Ach! wil geen meer verdriet een droeve weez' bereiden, Hoe groot myn armoede is, het ftrekt myn ziel tot Eer, Wyl ik die boven 't geld der fnoode lust waardeer, Zyt gy een Edelman ? betoon dit door u daaden,

B 5 En

Sluiten