Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TONEELSPEL. 33

SOPHIE.

Dat zou noch gaan kunnen; maar hij is de bereidwillige vriendt van alle menfchen.

MONHEIM, (tegen mdmar.) Gij zult niet ten kwade duiden dat ik vertrekke, ik heb enige zaken te verrigten.

W O D M A R.

Tot wederziens, mijn zoon !

(Monheim vertrekt.)

FERDINAND.

Het word ook waarachtig tijd, dat ik mijn Overfte ga fpreken; ik had het haast vergeteu

W O D M A R.

Ik hoop niet, dat gij de pligten, aan den dienst gehegt, zoudt kunnen vergeten?

KAREL.

Gij hebt heden de wagt, niet waar?

FERDINAND.

Ja, maar ik zal die zelf niet waarnemen.

KAREL.

Waarom niet ?

FERDINAND.

Op een ander tijd zal ik u dit zeggen. — Than» heb ik de eer u allen te groeten.

(Hij vertrekt,) W O D M A R. Een weinig meer nadenken, en zijne natuurlijke levendigheid zou voor zijnen ftand zeer gefchütt C zijn. ■

Sluiten