Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6:1 l B U L A 1,1 A MEINAU'. 1 T WE EDE T O O N E E L.

eu la li a , sophia.

sophia, met eenig werk bezig.

Gröëdèn morgen , genadige vrouw !

. eu la li a , zich te rug houdende.. Goeden morgen!

sophia, het vengfter openende. Het is heden een fchoone dag.

EüLALu, ter zyde. In deze <waereld is niets meer fc'hoon VQpr my ! (Overluid.)' Sophia ! wat verrichten myne kinderen mans? •• - • -■ ■■ •

sophia.

• De jonge heer is reeds naar fchool gegaan.

EÜLALU.

En Amalia?

sophia.

Deze is al een' gcruimch tyd opgeftaan. Ik moest gisteren recht hartelyk om haar lagchen, genadige vrouw! wy waren in den turn van 't ilot, wanneer ons een der ïchoolmakkers van onzen jongen heer, de kleine Hagen, ontmoette: 't is een heelc gefchikte jonge: hy kwam naar Amalia toe, en bood haar zyn' arm aan, doch zy maakte eene menigte verontfcbuldigingen, en wilde daar in .'t 'geheel geen gebruik van maken: eindelyk zeide zy tot hem: „. zo lang myn vader myne moeder niet geleid , „.laat ik my ook niet geleiden."

eclalia.

. Ach!... Het meisje is een zottinnetje.

sophia, op een' vlei/enden toon. Men kan zeer duidclyk zien, dat zy uwe genade meer dan den genadigen heer bemint.

eulalia, verlegen. . Dit is eene gewone zaak met de dochters... waar is myn gemaal ?

'• so-

Sluiten