is toegevoegd aan uw favorieten.

Huig de Groot en Maria van Reigersbergen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ii4 HUIG de GROOT en

met hem in zijne gevangenis doorgebragt, en fchoon hij van tijd tot tijd bericht van zijne huisvrouwe ontving, gcwenscht om eenen brief van haare hand te ontvangen... Nog lag de Gr.oot op zijn rustbcdde te flaapen, en Willem zat te leezen in eenen der Latijnfche Schrijvcren, welke aan de Groot tot vertroosting in zijnen kerker gezonden waren. Terwijl Willem op eene zekere plaats peinsde, zag hij een klein hoekje gevouwen papier aan hetzelve trekkende , ontdekte hij dat het een brief van de hand der huisvrouwe van de Groot was... Op het eigen oogenblik viel hem in, hoe zij den dag te vooren nog een' bock hadden ontvangen , dit mede onderzocht hebbende , vondt hij tusfehen den band mede een briefje van dezelfde hand gefchreeven. Nu kon zich de Jongeling niet langer bedwingen van vreugde: en na het rustbeddc van zijnen Heer ijlende riep hij: Mijn Heer! mijn Heer!

De Gr'oot (zich oprichtende.')

Wat is het Willem?

Willem.

Och mijn Heer! ftaa op, ftaa op, 'er is een blijde tijding ... ik heb twee brieven van Mevrouw voor

u van tusfehen deeze twee boeken gehaald ftaa

toch op. ■

De Groot. Wel waarlijk een blijde tijding Willem ! geef

hier