Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54 MIJN TEGENWOORDIG

fchuld was niet minder de taak der Leden dan het fchilderen der Godtergendfte boosheid.

Terwijl de Vergadering zig bezig hield, de maatregelen te beraamen, om de Burgermilitie te Parijs op een vasten voet te brengen en het noodige te bezorgen; ontving zij de tijding van de verregaande onlusten in de Hoofdftad. Zij befloot derhal ven om daadlijk twee Commisfiën aftezenden, een naar den Koning en een naar Parijs.

De Gedeputeerden naar den Koning Vertrokken zijnde, en de Vergadering zig zettende, om die aan de burgers der Hoofdftad te benoemen, verfcheenen er twee Elefteurs in haar midden, die mondeling een tafereel kwamen fchetfen van de onheilen, die reeds woededen en nog dreigden, en die te Parijs aan het geheele Rijk den ondergang fcheenen aantekondigen. Het antwoord van den Koning aan de Gedeputeerden gegeven, verzwaarde het ijslijk vooruitzigt, het was aldus:

„ Ik heb u reeds mijn gevoelen doen kennen, ten opzigten van de maatregels, die de wanordens te Parijs mij verpligt hebben te n'eemen. Het ftaat aan mij alleen, om over derzelver noodzaaklijkheid te oordeeleh, en ik kan, ten deezen opzigten, geene verandering maaken. Eenige fteden bewaaren zig zelve, maar de uitgéftrektheid van de Hoofdftad veroorlooft geene bewaaring van dat foort. Ik .twijffel geen oogenblik aan de zuiverheid der

be-

Sluiten