is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederduitsche dichtkunde, eerste deel. Van de dichtmaat

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tc gceven: in dier voege heefc her opgemelde vaers zesden lettergreepen naar de Leeskunde, en Hechts twaalf naar de tijdmaat in Muzijk.

Zommige uitheemlche fpraaken, gelijk het Italiaansch; laaten alle zelfklinkers, zonder uitnaame, ir.fmelten: doch dit vleit den Nederlanderen niet Anderen daar en tegen, gelijk het Hoogduitsch, laaten gcemgen klinker, noch ook zelf de.korte achter E. infmelten, en maaken dus telkens ietterfchokken, die ons gehoor beledigen. Best is het dierhalven dat wij de infmelting der achter E. met de Franfchen behouden,en naauwkeurig waarneemen.

Maar is het den- nedcrlarrdfchcn- dichter geoorlofd, buiten de e-pgemelde inüneltingder korte E , alle andere Letterlchokken onverfchiliig te gebruiken ?' Voorzeker behoorden alle onbevallighe.den, cn gevolglijk oó'k de onaangename Letterfchok gemijd te worden; doch. met dfceZe^uitzondcring, dat de zamenloop van' twee zelfklanken geene letterfchok maake, wanneer deeze twee op malkanderen volgende zelfsklanken eenen bij ons gewonen tweeklank wordt; overmits de zoetvloeiendheid der rede bier door hét minste verliest. Des is het geene Letterfchok, wanneer ik eenen der twaalf eindende Zelfkianken voor de E, I, Oe of Ou plaatze, öm dat alle onze gebruikelijke tweeklanken in deeF 4 23