is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederduitsche dichtkunde, eerste deel. Van de dichtmaat

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

midden, en de andere na den eerften, tweeden, vierden of vijfden voet; als in het volgende.

Geheng.'... O ijveraar.... der trouwverbondelingen. Daar daaltde deugd;..engij..gij draalt noch immer voort.

Om de zoetluidende evenredigheden van de eene ftemrtist tot dc andere, vallen zij fierlijk, bij opklimming, na den eerften , en derden voet; of bij daaling, na den derden en vijfden voet.

Somwijlen kunnen Zesvoetige vaerzen Vier, ja Vijf ftemrusten hebben; doch dit gefchiedt enkel in bijzondere gevallen wanneer het onderwerp een verlanging van tijd vercischt; als in dit van Van Den Vondel,

Die zorgt, en waakt, en faeft, en ploegt, en zwoegt, en zweet.

Somwijlen vindt men bij de Dichters Zesvoetige vaerzen die zonder ftemrust zijn; als,

De ontrouwe handeldrijven floegen aan het muilen. i

Doch dit behoort geen plaats te hebben, dan in eene rede die eene verhaasting der uitfpraake verëischt: overmits een zesvoetig vaers zonder ftemrust niet gevoeglijk kan uitgefproken worden in den tusfchentijd der ademhaaling zonder onzen fpreektrant geweld aantedoen.

TWAALF-