Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 ENDELDIJK IN Z IJ N E

Toen ik gedagvaard werd, toen men het vonnis gaf, En in den eisch van mijn partij, zoo valsch als laf, (Waar in de logentaal, 't bezwaar is meenigvuldig) Niet als een vagebond, aan fnoode misdoen fchuldig, Als vielfle fchender van de burgerlijke rust En veiligheid, wiens geeit, zijne euveldaèn bewust, Beangst en laag bevreesd zijn Vaderland moest derven;

540 Noch als misdadiger, die toen alom moest zwerven: Niets van die teistering, kwaadaartiglijk bedoeld, Heeft foms, noch daaglijks mijn gemoedsgeflel gevoeld. Geen misdrijf, geen berouw, noch geen befchuldigingen Deên toen, noch immer, mij de klamme handen wringen, Neen, mijn beledigd hart, zich zelv' niets kwaads bewust, Was onbeangst, was kalm, was moedig en gerust, Dat hart, dat om zijn doen nooit had gevreesd, voor dezen, Nooit van berouw geklopt, kon dat voor fnoodaarts vrezen! — Geen laster deert, het rein geweten is het fchild,

550 Waarop zij fteeds vergeefs haar booze pijlen fpilt,

'k Dacht aan der Vadren deugd, in al mijn ongelukken; Het voegt het Nakroost, om hun roemrijk fpoor te drukken;

Ik

Sluiten