Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xxxiv VOORBERICHT.

gezien, dat de ondervinding leerd, dat het ftof niet denkt, noch uit zyn aart denken kan, dat in tegendeel een onftoffelyke geest dit vermogen wel bezit; voeg hier nu nog by, dat deeze eigenfchap ook in den mensch gevonden word , en ik twyfel niet of de fomme der rekening zal hier op uit komen, by gevolg beftaat dan ook de Mensch niets flegts uit een ftoffelyk vergangelyk lighaam , maar ook uit een onftoffelyke , voor de eeuwigheid , uit hoofde van haaren aart, beftemde geest.

De verdere gevolgen die hier uit natuurlyk moeten voortvloeijen, vertrouw ik dat myne Lezers zo duidelyk zullen inzien, dat ik niet nodig hebbe om dezelve aantewyzen. „Wat voor „ een denkbeeld (vraagt onzen Schryver „ pag. 188.) kunnen wy maaken van een we„ zen, 't welk, fchoon het eene fubftantie is, „ evenwel geene uitgebreidheid , noch deelen „ heeft? Kunnen wy geene betrekking zien „ tusfchen het beginzel van gewaarworden en

denken in eenig ftelzel van ftoffe; wy be„ fpeuren ook geene betrekking , welke de „ ftoffe heeft tot de zwaarte en verfchillende „ eigenfchappen, w -nr mede wy zien, dat zy, „ in de daad, begaafd is." Ik zoude op myn beurt kunnen vraagen, is het voor het beftaan van een weezen noodzakelyk, dat wy 'er ons een denkbeeld van moeten kunnen maaken ï Indien dit zo is, dan zuilen ontelbaare weezens, aan wier beftaan wy, volgens de Leer der Openbaaring, niet kunnen twyffelen, moeten ophouden te zyn; of liever, zy zullen, nooit beftaan hebben; en even zo zoude het dan ook met zeer veele ..natuurkragten, waar

van

Sluiten