Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P/alm CXXII: 9- a3*

„ vriend van Jerufalem uit gevoelens van vriend„ fchap voor deszelfs bewoorters opgevat" — ons textvers befchrijft hem als „ deszelfs heilzoekenden „ vriend uit Godsdienstige beginzels", om dat Jehova, de God van Israël, daar zijn flatelijken dienst en zijne wooning gevestigd had; en zoo zegt hij, om des huizes des Heeren onzes Gods wille, zal ik het goede voor u zoeken.

Helderen wij de letter dezer belangrijke verklaring een weinig op —- het huis van God (dien de digter, als een Jood, onzen Heer „ den God van onze na„ tie", noemt) is „ de tempel", en de maker van het lied bedoelt er te gelijk door, „ den flatelijken „ eerdienst, die daar geoefend wierd;" beiden te Jeruzalem gevestigd, en deszelfs voornaamst ficraad — wanneer hij verklaart, „ om dat huis des „ Heeren onzes Gods (uit liefde tot Jehova's hei„ ligdom en de aanbidding zijnes naams) waar van gij, Jeruzalem! de zetel zijt — zal ik het goede voer u zoeken; dan belooft bij hier twee dingen. Hij zou Jeruzalems geluk en voorfpoed biddende bij den God van Israël zoeken, en daar voor veelmalen zijne fmeekingen tot Hem opheffen, maar ook, hij zou het met de daad zoo veel mogelijk was bevorderen hij verbond zig in één woord, om een

Godvrugtig, biddend en werkzaam vriend van Jeruzalem te wezen, tot het einde van zijn leven. ■ C. En laat ik u nu het gevoel, dat deze waardige Israëliër in het digtftuk vooronder field word bij het uitfpreeken dezer taal te hebben, een weinig uitvoeriger

tekenen. " Bij het verlaten van Jeruzalem her-

P 4 denkt

Sluiten